In
Central Park in New York staat het beeld van Balto, als herinnering aan de
serumrace naar Nome, waarover het volgende verhaal handelt.
De
inscriptie luidt:
"Dedicated
to the indomitable spirit of the sleddogs that relayed antitoxine six hundred
miles over rough ice, across treacherous waters, through arctic blizzards from
Nenana to the relief of stricken
Het
nam één week in beslag, van 27 januari tot 2 februari 1925, en het werd de
grootste wedloop in de geschiedenis van de sledehond. Gestart bij het 'end of
the steel'(= het eindpunt van de Alaska Railroad, vert.)in Nenana,225 mijl
benoorden Anchorage, vervoerden de mushers een pakje van 9 kg. difterieserum over
een trail die gewoonlijk 25 dagen reizen kostte en die ooit al eens in 15 dagen
was gelopen. De trail van Nenana naar Nome voerde 1042 kilometer door het meest
onherbergzame, eenzaamste land in de wereld. In het midden van de winter
schommelden er de temperaturen tussen 28.3 en 46.2 Celsius graden beneden het
vriespunt en de meeste tijd was het aardedonker.
Voor
deze race waren geen prijzengelden en de dood stond als musher op de slede van
het concurrerende team. Gunnar Kasson en Leonhard Seppela gingen strijken met de
eer voor deze race tegen een dreigende difterie-epidemie en verzekerden zich
daarmee van een plaats in de geschiedenisboekjes. Kasson's team was het laatste
in deze estafette en Seppela legde de grootste afstand af. De Eskimo's, de
indianen en de postmushers die het grootste deel van de trail aflegden in de
ergste stormen en in de bijtendste kou, werden nauwelijks genoemd in de
verslagen die destijds over deze gebeurtenis verschenen. Deze mannen, die tot de
dappersten behoorden die het Noorden ooit heeft gekend, werden officieel bedankt
met een medaille en een oorkonde getekend door president Coolidge, maar door de
kranten en de radio werden ze grotendeels over het hoofd gezien. Slechts
weinigen herinneren zich dat het vooral de inlandse mushers waren die zulke
onbaatzuchtige offers brachten. De regering had 50 (dollar)cent per mijl
aangeboden bij deze gelegenheid, maar de mushers gingen op hun sleden staan
zonder aan betaling te denken: de nood in Nome was hun enige drijfveer.
Het
verhaal begon op een dag in middenjanuari, toen dr. Curtis Welch (de enige arts
in Nome)een geval van difterie ontdekte. Hij verzond onmiddellijk een telegram
met een desperate bede om hulp. Zijn voorraad difterieserum was angstwekkend
klein en Nome vormde het medisch centrum van een uitgestrekt district met
ca.11.000 inboorlingen die gevaarlijk ontvankelijk waren voor wat zij de 'Zwarte
Dood' noemden. Er was voldoende serum in Anchorage, maar hoé kreeg je het vlug
en veilig naar Nome?Er waren in die tijd twee tweedekkers met open cockpit in
Alaska en natuurlijk wilden de vliegers proberen het serum te brengen. Andere
mogelijkheden werden uitputtend bediscussieerd, totdat gouverneur Scott Bone
besloot dat de risico's van vliegen te groot bleken. Het zou een bovenmenselijke
daad zijn en waarschijnlijk zou het de technische mogelijkheden van de
vliegtuigen van toendertijd verre teboven zijn gegaan. De koude was bijtend, het
weer aller-ellendigst en er waren maar 2 of 3 uren daglicht. Als het vliegtuig zou
neerstorten, zou het enige serum in Alaska verloren gaan.
De
enige oplossing was hondenteams. Draadloze berichten ijlden over de toendra
tussen Nenana en Nome. Langs deze route werden hondenteams en mushers geposteerd
op tussenstations. De Alaska Railroad stuurde een speciale trein naar het einde
van de lijn in Nenana met het kleine pakje serum aan boord. In Nenana wachtte
William 'Wild Bill'Shannon, de U.S. postmusher van de Northern Commercial
Company. Op de 27e januari vertrok hij laat naar Tolovana, 83.7 kilometer in
noordwestelijke richting,met een team van 9 Malamutes hetgeen voor die dagen een
groot werkteam was. De thermometer van het station wees min 32.2o
aan. Het pakje met serum werd in dekens gewikkeld om het tegen de schadelijke kou
te beschermen.
Omstreeks
12 uur op de 28e gaf Shannon het serum over aan Dan Green in Tolovana. Green racete
met zijn 8 honden de 50 km. naar Manley Hot Springs door weer met temperaturen
van -34.4o en windsnelheden van zo'n 32 km per uur, een
afkoelingsfactor van 52o voor Green en z'n honden. In Manley Hot
Springs nam de Athabascan Indiaan Johnny Folger het van hem over; deze liep 45
kilometer, naar Fesh Lake, met een team van 8 honden en nog steeds bij een
temperatuur van -34o.Van Fish Lake naar Tanana werd het serum
vervoerd door Sam Joseph met het verbazende gemiddelde snelheid van 14,5 km per
uur. De temperatuur daalde. Van Tanana naar Kallands, een afstand van 54.7
kilometer, mushde Titus Nicholi zijn honden door weer van -40oC. Daar
nam Dave Corning het van hem over bij een temperatuur van -41.1°;
hij bereikte een gemiddelde snelheid van 12.8 km. Per uur over de 38.6 kilometer
tussen Kallands en de Nine Mile Posthut. Daar werd hij opgewacht door Edgar
Kalland, die met zijn zeven honden naar Kokrines racete,48 km verderop, bij een
temperatuur die nu -42.2oC bedroeg.
Van
Kokrines naar Ruby, nog eens 48 km, worstelde Harry Pitka door een witte
sneeuwjacht bij 43.9o beneden nul.Hij slaagde erin het ongelofelijke
gemiddelde van 14.5 km per uur te behalen. In Ruby nam Bill Mc Cartney het pakje
over en hij rende met zijn zeven honden de 45 kilometer naar Whiskey Creek in
iets warmer wordend weer: -41.7oC.Vanaf Whiskey Creek, zeven uur 's
nachts, ging Edgar Nollner verder bij -40oC: 38.6 km naar Galena, met
7 honden.
Edgar's
broer, George Nollner, bracht het serum 29 kilometer verder, van Galena naar
Bishop Mountain, met dezelfde zeven honden. De honden van de Nollners draafden de
gehele afstand van 67.6 kilometer, voor een galop was het te donker. Bij Bishop
Mountain begon de 22-jarige Athabascan Charlie Evans met een team van negen
honden de tocht naar Nulato,48.3 km verderop. De temperatuur daalde tot 46.2
graden beneden het nulpunt en voor Evans werd de tocht een nachtmerrie. Hij had
geen huiden van konijnen bij zich om de kwetsbare buikholte van zijn honden te
beschermen en twee van hen begonnen te bevriezen, zelfs tijdens het rennen.
Nadat
hij de kreupele husky’s op zijn slede geladen had, vervolgde Evans z'n weg.
Hij rende vóór de slede uit, trekkend aan de riemen, in een poging om de
resterende zeven honden te helpen. Vijf uur na zijn vertrek uit Bishop Mountain
kwam hij in Nulato aan. Het was vier uur in de morgen en hij was alleen nog maar
in staat om zijn zieke honden de hut binnen te dragen en naast de kachel in
elkaar te zakken."Het was erg koud", zei Charlie Evans, zich 50 jaar
later de gebeurtenis herinnerend.
Tommy
Patsy laadde het serum van Evans' slede over op de zijne en vertrok snel in de
richting van Kaltag,58 km verderop. Het kostte hem 3.5 uur om deze afstand in de
duisternis af te leggen, z'n honden aanmoedigend bij een temperatuur van 40.2
graden beneden nul. Hij kwam er aan op vrijdagmiddag, 30 januari. In minder dan 3
dagen hadden 13 hondenteams 607 kilometer afgelegd. Ze waren iets méér dan
halverwege Nome.
Bij
Kaltag verliet de trail het dal van de Yukon en leidde over de bergen naar de
kust. In de bergen werd het weer slechter. De Athabascan rivierloods Jackscrew
nam het serum bij Kaltag over en vloekte z'n weg door een verblindende
sneeuwstorm naar de Old Woman schuilhut, een afstand van 64.5 kilometer bij een
temperatuur van -32.2o. Daar werd hij verwelkomd door de Eskimo Victor Anagick, die vertrok in jachtende, wervelende sneeuw naar Unalakleet,54.7
km verder op Norton Sound.
In
Unalakleet wachtte er een andere Eskimo, Myles Gonangnan, die met het serum
vertrok naar Shaktoolik. Hij moest de gehele 64,5 kilometer een trail banen voor
zijn 8 honden door sneeuwruggen die hem tot z'n middel reikten. Zij reisden door
één van de ergste sneeuwstormen sinds mensenheugenis. Het gelukte hem binnen
twaalf uur en hij zakte uitgeput en bevroren in elkaar...maar het serum kon
veilig mee op de volgende slede. Harry Ivanoff startte toen naar Golovin. Na een
halve mijl op de trail snoof het team rendiergeur op en er ontstond een
onbeschrijfelijke chaos. Terwijl hij vocht om zijn team weer in orde te krijgen,
keek hij op: Leonard Seppala en zijn team wedstrijd-siberians -de enige in de
wijde omtrek- kwam over de trail aansnellen. Klaarblijkelijk had de sneeuwstorm
de verbindingen verbroken en in Nome werd gedacht dat er geen vervangingsteam in
Shaktoolik was. Dus had Seppala zijn team ruim 240 km, vanaf Nome, gemushed om
het kostbare pakketje te kunnen oppikken. Ivanoff gaf hem het serum en Seppala
koos de kortste terugweg over Norton Sound, een route die gewoonlijk door
mushers werd vermeden. De harde wind dreef het zeewater over het ijs, dat ieder
moment zou kunnen breken en dat daarna, met Seppala samen met de honden en al,
naar de Beringzee zou drijven. Maar Seppala, die op dezelfde dag al eens met
succes die overtocht had gemaakt en die groot vertrouwen in z'n snelle honden
had, dacht dat hij, met wat geluk, de oversteek naar Golovin zou halen en
daarmee uren, zelfs dagen zou winnen.
Bij
stijgende temperaturen. Die het ijs alleen nog maar gevaarlijker maakten vertrok
Seppala met hoge snelheid naar Golovin,146.5 kilometer westwaarts via de route
over de Sound. De kleine Noor en zijn leaddog Togo liepen die dag 135.2
kilometer. Dertig van deze kilometers voerden over het kruiende, beukende,
brekende zeis. Maar Togo, de held van menige sledehondenwedstrijd en veteraan op
de trails, kende de gevaren. Hij bezat ook de geheimzinnige gave om de wensen
van Seppala al uit te voeren vóórdat Seppala een commando gaf. Togo leidde de
kwetsbare stoet van slede, honden en musher zo snel als hij kon over de massieve
opeenstapeling van scherpe, kreunende ijsschotsen. Laat op zaterdagavond
bereikten zij Isaac Point, aan de andere kant. Daar stopte Seppala om zijn
honden te voeren en om hun rauwe, gespleten voetzolen te verzorgen. Hij vertrok
de volgende morgen in de sneeuwstorm en ontmoette tegen het midden van de middag
Charlie Olson bij Golovin. Er moest nog 129 kilometer worden afgelegd.
Om
3 uur vertrok Charlie Olson voor de 40 km. lange tocht naar Bluff. Hij vocht
zich 'n weg door de sneeuwstorm, terwijl hij en z'n team van zeven honden
keer-op-keer van de trail werden geblazen door winden met een snelheid van 80.5
km per uur. De thermometer wees -43.4o aan, Olson's handen bevroren,
zijn honden bevroren en struikelden, maar de gehele nacht vochten zij door.
Omdat zijn blik werd verblind door de woedende sneeuwstorm, moest Olson erop
vertrouwen dat zijn leaddog op de trail bleef. Om half acht 's morgens, slechts
vier uur en vijftien minuten na zijn vertrek uit Golovin, bereikte hij Bluff en
gaf het serum over aan Gunnar Kasson.
Kasson
rende de resterende 88.5 kilometer naar Nome met 15 honden in harnas, op weg
naar roem en eer. Ergens op de trail liep hij de volgende musher, Ed Rohn,
voorbij, die in Safety stond te wachten om het serum mee te nemen op het laatste
traject naar Nome."Hij ging 'm wél expres voorbij", monkelde de
oudgedienden later. Maar Kasson, die Bluff om tien uur had verlaten, in complete
duisternis en in een sneeuwstorm die voortjoeg op winden met snelheden van 128
km per uur, had geen herkenningspunten en hij kon daardoor gemakkelijk de
blokhut voorbijgereden zijn. Hoewel hij gekleed was in mukluks van zeehondenhuid
die tot aan z'n heupen reikten, in een broek van zeehondenbont, een parka van
rendierbont met daarover nog een windjack, voelde Kasson nog steeds de bijtende
wind. Twee van zijn honden, langharige oude rotten op de trail, begonnen onder
het weer te bezwijken en Kasson moest stoppen om ze de huiden aan te gespen. De
slee kantelde voortdurend in de zachte sneeuw; hij kon niets zien en hij wist
werkelijk niet waar hij zich bevond.
Er
was maar één manier voor Kasson om in leven te blijven en het serum veilig
door de storm te krijgen: door de richting van het team blindelings over te
laten aan de leaddog, Balto. Balto, één van Seppala's Siberians, was een
krachtige, ervaren leider, maar Seppala had hem op deze tocht niet meegenomen
omdat de zes jaar oude hond niet meer zo snel was als vroeger. Kasson had echter
behoefte aan de leiderskwaliteiten en leende Balto uit Seppala's kennel. Toen de
leiding volledig aan hem werd toevertrouwd in de erbarmelijkste
weersomstandigheden, snuffelde en tastte Balto zich met lage neus over de
begraven, onzichtbare trail. Het enige dat Kasson restte was vertrouwen op de
instincten en ervaring van de hond. Het succes van de inspanningen van meer dan
150 andere sledehonden en 19 andere mushers hingen nu nog uitsluitend af van
Balto. De levens van tientallen, misschien wel honderden Alaskanen hingen af van
de dappere kleine sledehond en zijn team.
In de traditie van de grote leidershonden leidde Balto het team en het serum regelrecht naar Nome, de oren plat tegen zijn kop gedrukt, de gevoelige neus zoekend naar de trail.
Toen
ze aankwamen, half zes 's morgens op 2 februari, zonk de halfbevroren Kasson
neer naast zijn 'Balto',"je bent een verdomd goeie hond !", kon men
hem horen mompelen.